| |
Il peignait, la pente d'une montagne, pierres
ocres
serrées, mais cette étoffe de bure se divisait, pour
un
sein, un enfant y pressait ses levres, et on descendait, de là-haut,
de presque le ciel, dans la nuit ( car il faisait
nuit), c'étaient des porteurs de coffres desquels
filtraient des lumieres.
Que de tableaux laissa-t-il ainsi, inachevés,
envahis !
Les années passèrent, sa main trembla, l'oeuvre du
peintre de paysage ne fut plus que ce tas de blocs de .
houille luisante, là-bas, sur quoi erraient les enfants du
ciel et de la terre.
|
|
Hij schilderde, een berghelling, opeengepakte
oker-
kleurige stenen, maar de baaien stof splitste zich, maakte
plaats voor een borst waar een kind zijn lippen tegen
aandrukte -en van daarboven, van bijna uit de hemel,
daalden ze af naar de nacht ( want het was nacht) : de
dragers van kisten waar licht doorheen schemerde.
Ach, hoeveel schilderijen liet hij zo achter,
onvoltooid,
overwoekerd! De jaren gingen voorbij, zijn hand trilde,
het werk van de landschapsschilder bestond uit niets
anders meer dan die hoop blinkende blokken steenkool,
daarginds, waarover de kinderen van de hemel en de
aarde dwaalden.
|